Wetenschap en solfège… ‘Begrijpend’ luisteren

Solfège is een van de belangrijkste onderdelen in het leren maken van muziek. Althans, het is een duur woord voor iets wat elk mens eigenlijk allang kan. Namelijk, begrijpen wat we gehoord hebben om dit vervolgens te kunnen reproduceren. Het probleem met dit begrip echter is de definitie die we aannemen wat betreft ‘begrijpen’. En – net als met veel andere misconcepties in de muziek – dat we ervoor moeten werken om er bekwaam in te worden.

Er zijn een aantal begrippen in de muziekwereld die een speciale status hebben. Muziektheorie is er één van, net als solfège. Beiden worden beschouwd als ware ze een soort hoger bewustzijn in muziek, wat niet geheel onwaar is, maar het probleem met dergelijke vooroordelen is dat ze deze bekwaamheden schijnbaar onbereikbaar maken tenzij men een jarenlange studie eraan wil wijden. En dat is simpelweg niet waar.

In mijn lessen gebruik ik de traditionele vorm van solfège slechts zelden. Ik dwing mijn leerlingen niet hun melodielijnen te leren zingen van blad, of een muzikaal dictee uit te schrijven in noten. De oefeningen die ik wel gebruik zijn gericht op datgene waar mijn leerlingen daadwerkelijk voor komen, gitaarles. En dus leren ze muziektheorie en solfège via de gitaar, door het spelen. Gewoon door voor- en naspel leren ze een praktische toepassing van hetzelfde principe.

Ik heb in 12 jaar lesgeven nog nooit een leerling gehad die dit niet direct kon. Dit is niet omdat ik selectief ben in mijn leerlingen, maar omdat de daadwerkelijk gebruikte methode een bekwaamheid vraagt waar nagenoeg elke mens al vroeg ver boven leert staan. Ik heb al eerder geschreven over de enorme capaciteiten wat betreft het menselijk oor en dat is ook hier van toepassing. Ze leren een geluid herkennen, identificeren op hun instrument en vervolgens reproduceren.

Het resultaat is dat ze constant vooruitgang maken wat betreft hun oren, op een onbewuste manier hun techniek oefenen en ze leren hun instrument veel beter kennen dan wat een voorgeproduceerde toonladder ze ooit zou kunnen laten doen. De verschillen in geluid van fret tot fret zijn, in verhouding tot verschillen in klank, timbre en intonatie in de menselijke stem, reusachtig. Er kan allicht twijfel zijn, maar als de noot niet klopt valt dat altijd op. We doen de leerling tekort als we dit voordeel niet benutten in het leren maken en herkennen van muziek.

Dit heeft grotendeels te maken met de meer dan indrukwekkende capaciteiten van het menselijk brein. Ons geheugen, het brein en de mogelijkheden om informatie te verwerken, bewerken en zelfs creëren zijn vooralsnog onovertroffen. (Wie zich hierin wil testen, kan bijvoorbeeld op internet zoeken naar tests als ‘Adaptive Pitch Recognition’, om eens te ervaren hoe goed we er daadwerkelijk in zijn. Dit zijn tests waarin een bepaalde frequentie wordt afgespeeld, gevolgd door een frequentie die in steeds dichtere mate in de buurt bij de originele frequentie zit. Dit zijn verschillen, soms tot 100sten van een frequentie en we kunnen dergelijke verschillen gewoon horen.) Wij zijn in staat om een specifieke frequentie te onthouden voor langere perioden en deze te onderscheiden tussen meerdere andere frequenties. Dit is niet een mystieke eigenschap die alleen door geboorte of jarenlange, toegewijde training te leren is. Dat kunnen we al voor onze geboorte.

Sommigen zullen wel ééns de term ‘absoluut gehoor’ langs hebben horen komen. Dit woord heeft, net als ‘talent’, een nagenoeg mythische lading. Men zou frequenties mentaal een specifieke definitie geven en aan de hand hiervan deze altijd kunnen herkennen, ongeacht de vorm waarin deze voorkomt. Of dat nou een voorbijrijdende ambulance is, of een vioolconcert van Bach. De meningen zijn verdeeld over zowel het nut, als de werking, evenals de frequentie (pardon, ik kon het niet laten) waarmee het fenomeen voorkomt. In sommige onderzoeken is absoluut gehoor bijzonder zeldzaam, in anderen wordt weer vurig verklaard dat 70% van de mensen absoluut gehoor heeft, maar simpelweg niet weet hoe ze het toe moet passen.

De tegenhanger van absoluut gehoor is ‘relatief gehoor’, waarvan beweerd wordt dat op een enkele uitzondering na, iedereen het kan leren. Wat wil zeggen, de mens zou dit nog niet kunnen, totdat we er formele training in hebben gehad. Bij voldoende training zou men zou de afstanden kunnen horen tussen verschillende frequenties. Meren Edelstein heeft een onderzoek gedaan naar de verschillen tussen absoluut en relatief gehoor, door de zogenaamde ‘Auditory-Visual Stroop Test’. Katrin Schulze heeft een onderzoek gedaan via fMRI. De conclusies? Tja… laten we zeggen, incompleet.

Er blijkt veel meer mee te spelen in de identificatie van noten dan de frequentie en timbre alleen. Beeldvorming, context en achtergrond, al dan niet muzikaal, heeft vermoedelijk veel meer te betekenen dan tot nog toe duidelijk gedefiniëerd is. Wel is zowel absoluut gehoor als relatief gehoor een prima manier om definitie te geven aan geluid. Kunde in het één sluit het gebruik en leren van de ander niet uit, maar de correctheid van een dergelijke zwart-wit constructie voor zoiets complex als het menselijk gehoor en brein is twijfelachtig.

Persoonlijke ervaring heeft geleerd dat ik geen absoluut gehoor heb als het gaat om een piano, maar op een gitaar herken ik veel specifieke noten en akkoorden direct, ook zonder (bewuste) referentie. Dus mijn oren hebben wel degelijk specifieke frequenties en timbre’s gekoppeld als zijnde absolute waarden, maar buiten de ‘comfort-zone’ is de controle minimaal. Hier ben ik niet de enige in, ik heb meerdere docenten gehad die precies hetzelfde merkten toen ik ernaar vroeg. Bij gebruik van stemapparaten, welke absolute frequenties gebruiken om de correct snaarspanning te bepalen, keert mijn maag om. Ook hier ben ik niet alleen in. Veel van mijn collega’s, docenten en soms zelfs leerlingen verafschuwen stemapparaten, of zelfs specifieke muziekinstrumenten om precies dezelfde reden, de relatieve afstanden tussen noten zijn niet hetzelfde als de absolute waarden die de wetenschap ze toegekend heeft en waar sommige instrumenten op gestemd worden.

En dit is precies wat een onderwerp als solfège zo lastig maakt. Deze relatieve afstanden en de wetenschappelijk verklaarde absolute frequenties van noten komen met elkaar in conflict. De getallen van de één komen simpelweg niet overéén met de ander. Ligt het gelijk dan bij de wetenschap, of bij onze oren? En heeft absoluut gehoor het bij het juiste eind, of is relatief gehoor correct? Het antwoord is simpel. We weten nog niet genoeg. Het probleem rust ook niet in een gebrek aan kennis of kunde in absoluut, of relatief gehoor.

Het probleem rust in de verwachtingen die we hebben van anderen en onszelf. De verwachtingen die het muziekonderwijs in het algemeen heeft. Dit probleem is de specifieke definitie voor een muzikaal concept, die we solfège noemen. En deze wordt (foutief) als gelijk gezien aan de muzikale ervaring. Geluiden staan met veel meer in connectie dan enkel trilling van lucht. Beeldvorming, geur, emotionele band en andere achtergronden bepalen voor een groot deel de definitie die iemand geeft aan een bepaald geluid. Door deze andere, theoretische definitie die solfège is op te leggen aan een leerling, verdringen we de persoonlijke identiteit die een leerling al aan noten gegeven zal hebben, of zal doen tijdens het leerproces. Men is niet bezig om een taal te leren spreken, men is bezig om wat een persoonlijke muzikale ervaring is, in een universele vorm te gieten.

Ik verafschuw de wetenschap niet, integendeel. Ik zal nooit willen stoppen te leren. Ook heb ik veel baat gehad bij regulier muzikaal onderwijs. Dat neemt echter niet weg dat ik denk dat we, door de focus van het onderwijs zodanig te leggen op analyse en uniform, we vergeten de leerlingen te leren luisteren naar wat er anders van nature al zou gebeuren. Beide principes hebben een plaats, maar als het de leerlingen tegenhoudt in plaats van verder brengt, dan is die plaats niet het front van de gitaarles.

Dit is één van de pijlers van mijn lesgeven. Muziek is een taal. En het is in vergelijking met onze eigen gesproken taal, een bijna kinderlijk gemakkelijke wijze van communicatie. Het is groot, grof en precies, zelfs door uitvoeringsfouten heen. Waar de menselijke stem oneindig meer en veel subtielere vlakken heeft. Ik vraag een leerling niet naar een blad of scherm te kijken en te beschrijven welke frequenties ze zien, als ze daar zelf geen interesse voor tonen. Wel richt ik mijn lessen zo in dat ze altijd in staat zijn om te kunnen reproduceren wat ze horen, dat wat ze willen spelen. Ongeacht of ze absoluut gehoor hebben, of relatief, of welke tussenvorm of combinatie hiervan bestaat.

Dit gezegd, mijn leerlingen zijn net zo verschillend als de menselijke stem. Sommige lezen noten als een boek, sommigen beperken zich tot tablatuur en meerdere anderen willen zelfs niet eens zien hoe iets gespeeld wordt. De overeenkomst tussen allen? Ze weten stuk voor stuk, puur intuïtief, direct wat ze horen, het moment dat ze het horen. Omdat ze geleerd hebben een taal te begrijpen en spreken. En begrip (ook onbewust) is een groot goed, dat zeker in deze tijd niet voldoende gewaardeerd wordt.

Wat ben jij? Muzikant, of wetenschappelijk analist?