Over het te vallen kwartje

Lesgeven is een precair vakgebied. Het is afhankelijk van context, leeftijd en groepsgrootte, maar ook tijdgeest en cultuur. Sommigen zweren bij groepsles, dat men meer leert van de interactie met de groep en dat dit meer dan opweegt tegen het mindere aan persoonlijke aandacht en hulp die de docent dan kan geven. Zowel prive-muzieklessen als groepslessen hebben hun waarde en beide dragen bij aan een completer leerproces. Dit is echter slechts een heel klein onderdeel in het grote geheel.

Het gros van de les en het leren is namelijk afhankelijk van de docent en zijn of haar lesfilosofie. Wat wil deze de leerlingen bijbrengen, hoe gaan ze hierin te werk en waarom specifiek dit doel? Ik heb talloze gesprekken gehad met mijn collega’s en het valt mij telkens op dat we, ondanks dat wij allemaal al jarenlang vele plezierige, muzikale en succesvolle leerlingen hebben, allemaal ook ontzettend verschillen in onze methoden en doelen.

Sommigen van mijn collega’s zweren bij bladmuziek, waar ik het behoorlijk wat didactische gaten verwijt. Sommigen gebruiken methodiek-boeken die ik het liefst in de kachel zou zien. Slechts een enkeling heeft een stijl die op de mijne lijkt.

In eerste instantie dacht ik dat het om een generatiekloof ging. Dat klinkt vreemd, maar veel van mijn collega’s zijn twee keer zo oud als ik. De horror-verhalen van de muziekdocent die met een spaans rietje op de vingers tikt bij foute noten zijn nog niet zo ver in het verleden dat het niet meer voorkomt (hoewel ik nog geen directe collega’s hierop betrapt heb).

Toen ik aan het conservatorium studeerde heb ik met talloze ‘muzikanten-in-de-dop’ kennis gemaakt. Bekend met talloze verschillende stijlen van persoon tot persoon, hadden deze mede-leerlingen ook diverse verschillende achtergronden wat hun lesmethoden betrof. De ene las noten als ware het een stripboek, maar het moment dat de bladmuziek verdween stonden ze zogezegd met de mond vol tanden. Een ander kon bijna geen noot lezen, maar kon zich heel expressief uitdrukken op hun instrument.

De ene wijze van muziek maken is niet meer waardevol dan de ander, hoe zeer sommigen hier ook de nadruk op zouden willen leggen. De een is goed in het verwoorden van zijn eigen muziek, waar de ander juist heel goed de muziek van een ander kan interpreteren en betekenis geven. Geschiedenis is hier niet minder belangrijk dan de toekomst.

Op een zelfde wijze heb ik verschillende lesdoelen bemerkt bij mijn collega’s, sommigen weigeren een leerling ook maar een noot te laten lezen en hoe frustrerend het soms ook is voor de leerlingen, ze hebben wel voor een heel groot deel gelijk in hun redenering hierin. En met succes. Andere docenten die er geen kwaad in zien om een leerling volledig van blad te instrueren hebben desondanks ook niet gefaald in het bijbrengen van muzikaliteit en expressie.

Heel veel hiervan is volledig afkomstig van het lesdoel van de docent in kwestie. Sommigen specialiseren zich in een specifieke stijl of genre, dit willen ze zo volledig mogelijk overbrengen op de leerling. Bij klassieke muziek kan dit bijvoorbeeld neerkomen op stijlkenmerken, uitvoeringspraktijk en persoonlijke interpretatie en expressie van een stuk. In dit opzicht heeft het veel gemeen met stijlen als Flamenco, maar ook het spelen van covers in popmuziek. Een docent die zich richt op de ‘interne muziek’ in plaats van het externe, kan compleet andere middelen en doelen hebben. Zo kan een jazz-docent zich juist meer richten op theoretische mogelijkheden, solfege en improvisatie. Om de melodische, harmonische en ritmische vrijheid van een leerling zoveel mogelijk uit te breiden. Beiden zijn echter uitstekende lesdoelen, die met voldoende ijver en interesse prachtige resultaten op kunnen leveren.

In mijn lesgeven is ‘het kwartje’ het belangrijkste onderdeel, hoewel niet al mijn leerlingen dit ook bewust zullen ervaren. Techniek is veranderlijk, afhankelijk van de leerling, de leeftijd en fysieke het genre en het instrument. Smaak eveneens, een leerling die in het begin hardrock wil spelen, kan prima doorgroeien naar jazz of klassiek. Of juist de andere kant op, van klassiek/jazz naar het zwaardere gitaarwerk.

Ik zal altijd zoeken naar ‘het kwartje’, het innerlijke begrip van de muziek. Zodat een leerling muziek kan maken zonder mij, zonder blaadje, of instructies. Dat ze, als iemand zingt, voelen welk akkoord ze moeten spelen, zonder dat ze dit verteld is. Dat ze niet in paniek raken als ze niet weten, of zijn vergeten, wat ze moeten of kunnen spelen.

Hier heb ik verscheidene methodes voor, maar in principe komt het allemaal op hetzelfde neer. Ervoor zorgen dat hun instrument de landkaart wordt waarop ze muziek zien, want het is prima mogelijk om muziek te zien als er een fysieke handeling aan gekoppeld is. Dus naast al het andere, naast het genre dat een leerling wil spelen, welk liedje, of welke techniek. Of het nou elektrisch gitaar is, of akoestisch, ik probeer er altijd voor te zorgen dat hun begrip van de muziek direct te koppelen is aan het intrument in hun handen. En als ik het goed doe, dan hebben ze niet eens door dat het gebeurt, of dat het eigenlijk iets heel uitzonderlijks is temidden van de reguliere lesmethoden.

Dus wie bijvoorbeeld een popliedje wil leren, leer ik 4 akkoorden, maar er zitten dan slechts drie in het liedje. Zo wordt muziek een legpuzzel met handvatten en ervaren ze niet alleen het plezier van de uitdaging, maar ook de logica van bepaalde akkoorden. Met een beetje oefening kan men dit vrij al snel zelfstandig met andere liedjes toepassen. Wie zich bezig wil houden met gitaarsolo’s, leer ik een geraamte van noten dat ze vrijelijk kunnen verplaatsen. Ik begin klein en breid uit via intuïtie en gehoor, zodat ze direct positie kunnen geven aan wat ze horen en van hier kunnen uitbreiden en zich thuisvoelen over de gehele hals. En elk genre. Deze manier van werken creeërt niet alleen een gevoel van overwinning, maar onbewust realiseert het ook een intern begrip van muziek en het instrument.

Maar het heeft meerdere resultaten, naast het logistieke. Wie er namelijk aan gewend is op een vooraf bepaalde, onveranderelijke materie te studeren – bijvoorbeeld een klassiek stuk van Torroba, of een specifieke gitaarsolo – heeft een probleem als ze bijvoorbeeld hun muziek vergeten. Of dat nou blaadjes zijn, of gewoon waar ze hun vingers moeten zetten. Het kan allemaal kwijtraken, of dat nou komt door vergeetachtigheid of onhandigheid. Het zogezegde ‘kwartje’ voorkomt dergelijke situaties niet, maar het zorgt wel dat ze geen probleem meer hoeven te vormen.

Ik herinner me nog goed dat ik – jaren geleden – een stuk van Bach speelde, maar halverwege werd ik overvallen door gevoel van vervreemding. Alles klonk zoals het hoorde te klinken, maar toch leek het niet te passen. Naderhand kwam ik er pas achter dat ik hele delen van het stuk in verkeerde vingerzettingen zat te spelen, ik had ergens als het ware ‘een verkeerde afslag’ genomen en was zo beland op een deel van het instrument waar ik het stuk niet in voorbereid had. En toch gingen mijn handen door met spelen, ik had zonder erbij na te denken ter plekke andere vingerzettingen verzonnen en was daarmee verdergegaan.

Dit is precies wat ik bedoel met ‘het kwartje’. Het kwartje is begrip. Begrip van de muziek die je hoort en begrip van je instrument, zodat je kunt spelen wat je wilt horen, zonder voorbereiding. Want voorbereiding is een mes dat aan twee kanten snijdt. Het schept zekerheid over wat je moet doen, het trekt een plan waar je van op aan kunt. Aan de andere zijde, brengt het verwachtingen. Zowel van jezelf als van je publiek. En dat kan problematisch zijn voor wie hier moeite mee heeft. Zenuwen, of gewoon vergeetachtigheid kunnen gemakkelijk roet in het eten gooien. Maar wie niet na hoeft te denken, wie weet dat ze – zelfs als ze fouten maken – ze altijd de weg zullen weten, zelfs zonder bewuste beslissingen, zal zich nooit zorgen hoeven maken.

Wie de gitaar een beetje kent, zal zich nu realiseren dat de verschillende mogelijkheden om eenzelfde melodielijn te spelen zich in de tientallen bevinden. Bij een werk van Bach zijn de mogelijkheden soms nagenoeg eindeloos. De sleutel is dan ook niet het uitpluizen van elke mogelijkheid, zodat je op elke variatie voorbereid bent. De sleutel is ‘het kwartje’, het begrip van je instrument dat een landkaart uittekent aan de hand van wat je hoort. Zodat je weet waar je bent en waar naartoe kunt, op elk gegeven moment. Want eigenlijk is dit niet zo bijster moeilijk. Onze muziek heeft met de beste wil van de wereld, vaak slechts 12 noten. En van die 12 gebruiken we er doorgaans slechts 7, veel soorten volksmuziek beperken zich zelfs tot 5.

Naarmate je begrip van je instrument en het inzicht in muziek vordert, kom je erachter dat het eigenlijk steeds simpeler wordt. De gitaar is een bijzonder instrument. Want ook lijken de bomen voor het bos te staan, zozeer hebben al die bomen eigenlijk maar een beperkt – zeer specifiek – aantal vormen. En na verloop van tijd zal ook blijken dat er niet bijster veel verschillende bomen zijn, hooguit een stuk of drie, misschien vier. En die zijn ook niet zo verschillend als ze misschien in het begin lijken, want zo is een gitaar ontworpen.

Gitaarspelen is niet zo moeilijk en met tijd wordt het zelfs steeds simpeler, maar dat heeft niets met oefening te maken.

Het gaat om begrip, net als veel andere zaken.