Over de waarde van een instrument

Eén van de meest gestelde vragen die leerlingen doorgaans stellen, ‘Is dit een goede gitaar?’ is tevens de vraag waarvan het antwoord het meest genegeerd wordt, of niet begrepen. Het antwoord is desondanks niet moeilijk, maar het wordt maar zelden toegepast, zelfs door professionals. Namelijk, ‘Heb je al zin om gitaar te spelen?’

We zullen het misschien niet willen toegeven, maar vaak gaan dergelijke aankopen toch via de ogen. Een mooie glimmende laklaag of een leuke kleur maakt dat het instrument meer aan kan spreken, ondanks dat deze laklaag de helft van de klank die het instrument zou produceren dempt. Terwijl het tegelijkertijd verstopt dat er gewoon triplex is gebruikt, in plaats van degelijk klinkende houtsoorten. Of een elektrische gitaar met prachtig (nep-)parelmoer als slagplaat, waardoor we niet doorhebben dat de elementen prut zijn, de hals kromgetrokken of de potmeters doorgebrand bij het solderen.

De markt wordt overstelpt met Hello-kitty instrumenten, die docenten alom het bloed onder de nagels vandaan halen. En met reden, dergelijke dingen spreken jonge leerlingen (of oudere met gevoel voor humor) aan omdat het herkenbaar is. Temidden van een winkel vol met ‘saaie’, stijve instrumenten die gelakt zijn als het meubilair van opa en oma, zullen deze altijd winnen. En dat weet de fabrikant, dus maken ze er werk van.

Maar dat is niet persé slecht. Sterker nog, het is in het leerproces zelfs een heel groot goed. Want wat we willen als docent, is een leerling graag speelt/oefent, ook zonder aansporing. En wat meestal niet bemerkt wordt is dat een instrument niet alleen een vertalende functie heeft, dus van gedachte naar techniek naar geluid, maar ook een inspirerende functie. We zijn namelijk afhankelijk van het instrument wat we gebruiken. Geeft het instrument niets mee tijdens het spelen, houdt het veel geluid tegen, dan zal het niet echt aanmoedigen tot spelen. Echter, als het instrument visueel ook niet aanspreekt, dan is de kans groter dat het in eerste instantie niet eens opgepakt wordt.

Een instrument moet dus niet alleen goed klinken, het moet ook inspireren. Ik heb talloze leerlingen gehad die geïnteresseerd waren in een instrument dat kwalitatief niet erg goed was, maar daar ook naderhand toch heel gelukkig mee waren. Dit is geen ramp, sterker nog het is net datgene wat de leerling daar en dan nodig heeft.

En dat is nou net de kriem bij het kiezen van een instrument. Niet alleen het besef, maar ook de acceptatie dat een inspirerend instrument het doel al heeft bereikt. Het maakt namelijk dat men wil spelen en dat is één de slechts twee doelen die het dient. Productie en inspiratie. De tweede lijkt niet direct heel belangrijk, maar is het wel. Dit gaat namelijk verder dan simpelweg toonproductie, of een leuk kleurtje.

Een voorbeeld. De LP is de afgelopen zoveel jaar weer helemaal teruggekomen in populariteit, deze interesse is gekomen na een lange periode waarin muziek naar een steeds kleiner formaat werd bewerkt. Tot we uiteindelijk merkten dat de kwaliteit en dus het luistergenot hier erg onder lijdt. Hoewel bewezen is dat dit zo is, wil dat niet zeggen dat al het luistergenot ook volledig afkomstig is van de betere kwaliteit in geluid. Dit komt namelijk ook uit de handelingen voorafgaand aan het daadwerkelijke luisteren, de wetenschap dat we ergens iets meer moeite voor doen en het nemen van tijd om van de resultaten ervan te genieten. Dus hoewel er bewezen is dat LP’s doorgaans betere opname’s laten horen, wil dat niet zeggen dat elke luisteraar zich hier ook fysiek van bewust is, of kan zijn. Sommigen horen wellicht niet de verbeteringen en meerwaarde, maar gaan er gewoon vanuit dat, omdat ze door de welbekende roze, nostalgische bril (oorkleppen) kijken, het geluid ook beter klinkt. Zelfs als dat eigenijk het geval niet is, maar dat maakt hun ervaring er niet minder plezierig of waardevol om.

Eenzelfde discussie is de afgelopen jaren in de elektrische gitaar-wereld gaande, wat betreft de voor- en nadelen van digitale effecten. De ene partij beweert dat ze minder goed klinken dan de analoge varianten, waar de andere kant beweert dat nostalgie de oren heeft verdooft en dat digitale effecten inmiddels even goed zijn als hun analoge voorgangers. Of dit echt zo is of niet, dat valt te bewijzen, maar dat wil niet zeggen dat elke luisteraar zich hier ook fysiek van bewust kan zijn. De waarde van een dergelijk geluid is dus subjectief en afhankelijk van de luisteraar. Niet van het voortgebrachte geluid of de materialen die gebruikt werden om dit te produceren.

Er bestaat een bekende grap, die vaker is toegepast door professionele muzikanten. Een voorbeeld is van een wereldberoemde violist die, om voor te bereiden op het concert, ditzelfde concert ging spelen als ‘straatmuzikant’, in het lokale treinstation. Geen mens keek op, maar diezelfde avond staat het publiek te schreeuwen om meerdere toegiften. We bereiden ons voor op een bepaalde ervaring en naarmate we meer moeite steken in het genieten van een bepaalde ervaring zullen we ons ook meer bewust zijn hiervan. Doen we dit niet, dan kan deze zelfde ervaring minder positief zijn, of zelfs volledig onopgemerkt gaan.

Dus ook hier is het juiste antwoord alleen te bereiken via een zijweg. Heel simpel gezegd is het namelijk een wedervraag, ‘Ga je er beter van spelen?’ Sommige muzikanten, als ze weten dat ze op iets digitaals spelen en daar een bepaalde mening over hebben wat betreft de kwaliteit, ongeacht of een dergelijk vooroordeel nou gegrond is of niet, zullen dan anders spelen dan ze normaliter zouden doen. Ditzelfde geldt voor instrumenten.

Persoonlijk zoek ik altijd naar exact dat eerstgenoemde in een instrument. Persoonlijkheid. Karakter. Een instrument hoeft niet perfect te zijn, maar het moet wel ‘iemand’ zijn. Ik heb instrumenten in handen gehad van duizenden euro’s, soms tot in het absurde aan toe. Allemaal zonder enige karaktertrek om van te spreken, gewoon allemaal een stapje beter dan de voorganger en net een paar-duizend euro meer aan het prijskaartje. Tevens heb ik instrumenten in handen gehad van meer dan 30 jaar oud, te klein en onhandig, met diverse slijtplekken en reparaties. Gek genoeg weet ik nog precies hoe dit instrument klonk en voelde. En vooral hoe leuk het was om erop te spelen.

Dat is altijd de enige reden om voor een bepaald instrument te gaan. Zorg dat het maakt dat je wilt gaan spelen. Al het andere volgt vanzelf.